» History of the Dutch Swing College Band (published in Doctor jazz Magazine 2010)
Dutch Swing College Band 65 jaar, een fenomeen.


Op 5 mei 2010 bestaat het vlaggenschip van de Nederlandse traditionele jazzmuziek, the Dutch Swing College Band exact 65 jaar. Een feit dat wordt gevierd met een uitgebreide Nederlandse theatertour en een speciaal jubileumconcert op 8 mei in Den Haag. Wellicht een goed moment om eens stil te staan bij de verdiensten van dit orkest, dat inmiddels gerust een instituut genoemd mag worden.
Ooit heeft iemand in een schoolboekje over muziekgeschiedenis geschreven dat dixieland muziek een slap, blank aftreksel was van de oorspronkelijke zwarte New Orleans Jazz. Zwarte jazz was goed, blanke fout. Dat dit wel heel kort door de bocht is stond er helaas niet bij vermeld en dat het grootheden zoals Bix Beiderbecke, Adrian Rollini en Jack Teagarden ernstig tekort doet al helemaal niet. Hele generaties zijn gaan geloven dat dit standpunt ook simpelweg waar is, hierbij vergetende dat het hele concept van de jazzmuziek is gebaseerd op een mix van Afrikaanse en Europese invloeden die samenkwamen in de Verenigde Staten. De instrumentatie en harmonische principes zijn bijvoorbeeld overwegend van Europese origine.
Toen in de laatste fase van de tweede wereldoorlog de plannen voor het Dutch Swing College werden gesmeed, kwamen een aantal musici uit Den Haag bij elkaar met belangstelling voor verschillende vormen van Jazz. Slagwerker Tonny Nüsser wilde graag in de stijl van het Benny Goodman sextet spelen, pianist Frans Vink was dol op Ellingtonia en rietblazer Peter Schilperoort hield van Chicago jazz, waarmee hij reeds bij de Swing Papa’s kennis had gemaakt. Geen van de drie stijlen werd op dat moment in Nederland veel gespeeld. De muzikale doelen waren toen dus voor ons land best vooruitstrevend.
Eén van de eerste opnames uit eind 1945, Ellington’s compositie Hodge Podge, laat dan ook een klein swingorkest horen, geharmoniseerde riffthema’s met een ritmesectie die in vieren speelt, het slagwerk speelt echt in swingopvatting.
Toen Peter Schilperoort na korte tijd de muzikale leiding overnam van Frans Vink ging de repertoirekeuze logischerwijze meer uit naar polyfone jazzmuziek uit de jaren ’20 of soms zelfs nog iets ouder. De band kon onmiddellijk contracten afsluiten voor langere periodes en was veel op de radio te horen, waardoor snel landelijke bekendheid werd verkregen. De troepen die Nederland hadden bevrijd werden blij van hun “eigen” muziek, de Nederlandse bevolking zag het als de muziek van de bevrijders en had bovendien wel iets te vieren! De band was dus op het juiste tijdstip op de juiste plaats.
Na korte tijd groeide het DSC uit tot een octet, 4 blazers en 4 musici in de ritmesectie.
Doordat werd gekozen om veel met 2 klarinetten collectief geïmproviseerd te spelen, iets wat nog niet zo heel vaak was gedaan in de jazzgeschiedenis, ontstond al snel een eigen, herkenbaar geluid. Zeker ook omdat dit gezamenlijke improviseren op hoog niveau gebeurde. De stemmen zitten nooit in elkaars vaarwater en er worden nagenoeg geen fouten in de stemvoering of harmonische keuzes gemaakt. Het is bijna alsof de contrapuntregels van Bach worden toegepast in een improviserend gezelschap. Aan de opnamen uit eind ’40 en begin ’50 hoor je dat de musici graag samen willen spelen, willen mengen, in balans willen spelen. Er is een hecht team ontstaan. Een belangrijke inspiratiebron in deze tijd wordt King Oliver’s Creole Jazzband, New Orleans Jazz dus. In navolging daarvan wordt regelmatig met 2 trompetten gespeeld. Op het repertoire komen naast jazzklassiekers ook eigen, originele composities van diverse bandleden.
Een muzikaal hoogtepunt vastgelegd op de plaat is de samenwerking met New Orleans gigant Sidney Bechet: Dutch Swing College Blues uit 1951. Deze compositie van Bechet heeft in het thema een simpel motief voor de koperblazers met plunger. Deze wordt echter in een ongewoon laag register met een octaaf verschil gespeeld. De rietblazers Bechet, Schilperoort en Dim Kesber spelen de melodie hierboven driestemmig. Enkele korte en goede solo’s van de DSC blazers verdeeld over 2 bluesschema’s volgen, waarna Bechet met een weergaloze bijdrage het solistische deel afmaakt, gevolgd door het slotthema. Een verdienste van de DSC blazers is dat ze in staat zijn om solistisch een stap richting Bechet te maken. Deze op zijn beurt mengt voor zijn doen zeer goed met het ensemble, iets wat met zijn solistische temperament niet altijd voor de hand ligt. Al met al is het één van de meest indrukwekkende instrumentale bluesopnamen ooit in ons land gemaakt.
Een andere verdienste van het orkest in deze tijd zit in de ritmesectie, met name stukken met meerdere thema’s worden erg goed opgebouwd. Arie Merkt en zijn opvolger André Westendorp spelen echt traditionele jazz op het slagwerk en bassist Bob van Oven bouwt de stukken goed op met de juiste indeling van wat hij in twobeat speelt en wat in vieren. Zoals gebeurde bij Jelly Roll Morton’s Red Hot Peppers in diens hoogtijdagen. Als je al kritiek wilt leveren op de band uit de jaren ’50 zou je het kunnen zoeken in dat men soms wat aan de snelle kant speelde. Ongetwijfeld had deze tomeloze energie, met jeugdig enthousiasme gebracht, een belangrijk aandeel aan het succes op de talrijke studenten- en dansfeesten waar in die tijd veel werd opgetreden.
Een nieuw hoogtepunt volgt in 1953, het orkest scoort een hit met Doctor Jazz, gezongen door de Engelse zangeres Neva Raphaello. De band heeft in latere jaren met betere zangeressen gewerkt, maar deze uitvoering staat als een huis. Raphaello’s zang, lijkend op bluesshouting, draagt bij aan een gevoel van authenticiteit. Opmerkelijk aan de opname is dat er geen enkele instrumentale solo in voorkomt. Het is één en al collectieve improvisatie, zelfs tijdens de zang volgt de ene spontane fill na de andere. De al geroemde DSC spirit is volop aanwezig, evenals de goede opbouw door de ritmesectie.
Zoals duidelijk mag zijn was dit een echt ensemble. Hoewel mensen als Schilperoort en trompettist Kees van Dorsser zeker in staat waren capabele solo’s te spelen, was dat niet hetgeen waar het bij dit orkest om draaide.
Dit zou gaan veranderen vanaf 1955 toen Peter Schilperoort het orkest verliet om zich te richten op zijn maatschappelijke carrière. Zijn opvolger, klarinettist Jan Morks, was een briljant improviserend solist die in zijn bijdragen vaak nog net een streepje meer kon geven dan de anderen. De drive van de band bleef behouden, echter door het ontbreken van een leider met zoveel visie als Schilperoort ging wel iets van de fijne finesses in de arrangementen verloren.
Ook in deze periode bleef origineel repertoire gespeeld worden, bijvoorbeeld een stuk als African Queen van Sandy Brown komt uit deze tijd.

Grotere veranderingen ontstaan zo rond 1960. Bij een gedeelte van het orkest bestaat de wens om er een volledig beroepsorkest van te maken. Met name banjoïst en zakelijk brein Arie Ligthart ziet daartoe mogelijkheden. Voordien zal heus niet overal gratis zijn opgetreden, maar veel bandleden combineerden tot dan toe het musiceren met een studie of vaste dienstbetrekking. Een ieder ging met zichzelf ernstig in gesprek of ze de toekomst als fullprof zagen zitten met als gevolg dat een belangrijk deel van de groep stopte. Binnen twee maanden tijd namen Wim Kolstee, Joop Schrier, Wybe Buma en Dim Kesber afscheid. Van the Skymasters kwam de nieuwe trombonist Dick Kaart, kornettist Oscar Klein arriveerde uit Oostenrijk, en Peter Schilperoort keerde terug. De band ging zonder pianist verder. In de muziekwereld hing meer verandering in de lucht, Rock en Roll muziek werd snel populair en dat maakte dat Jazz minder in het middelpunt van de belangstelling kwam te staan. Het DSC ging geleidelijk minder op feesten spelen en meer in concertsituaties, die echter steeds verder van huis lagen.
Uiteraard hadden deze veranderingen invloed op de muziek. De nieuwe orkestleden waren technisch beter geschoold dan de voorgangers, maar logischerwijze minder gewend om samen te spelen. Bovendien moest er om luisterconcerten interessant te houden meer afwisseling qua repertoire komen. Reeds in 1946 had de band eerste pogingen ondernomen om Latijns-Amerikaanse muziek in het programma op te nemen. Na een zeer uitgebreide tournee door Zuid-Amerika werden ook platen gemaakt met muziek in deze stijl: South American Tour en Brazil als bekendste opname.
Een gevolg was een minder ensemble- en meer sologeoriënteerde vorm van musiceren. De ritmesectie ging geleidelijk aan moderner spelen, regelmatig speelde de drummer het begeleidingsritme op het ride-bekken, iets wat eigenlijk uit de tijd van de swing/bebop komt. Eigenlijk dus weer Tonny Nüsser’s droom uit 1945! Intussen boterde het tussen Schilperoort en Morks niet meer zo goed, zoals Oscar Klein met oog voor de capaciteiten van beiden verzuchtte: “Jan en Peter waren te verschillend…”
Het grootste deel van de jaren ’60 heeft het orkest na het vertrek van Jan Morks als sextet gespeeld, swing repertoire met gitaar, traditionelere jazz met banjo. Het werden weer 7 musici toen in 1969 Bob Kaper als vast bandlid op klarinet en altsaxofoon toetrad. Deze terugkeer naar 2 rietblazers gaf weer meer mogelijkheden tot afwisseling. Bovendien is Kaper een begenadigd arrangeur en auteur van tal van originele composities die de band regelmatig heeft vastgelegd op CD. Kaper heeft eind jaren ’70 een succesvolle nevenactiviteit gehad met het Flashback Kwartet, waarmee swing à la Benny Goodman werd gespeeld. Regelmatig kreeg Kaper de ruimte van Schilperoort om deze kwaliteiten te etaleren tijdens concerten van het DSC.
Het moet zeker worden gememoreerd dat meer jonge muzikale talenten van Schilperoort de kans kregen om zich te tonen en te ontwikkelen bij het orkest. Op filmmateriaal is duidelijk te zien hoe trots hij was als één van de jonkies een mooie solo speelde.
Het voert te ver om op deze plaats alle wisselingen in de bezetting te noemen, maar enkele talenten die reeds op jonge leeftijd de kans kregen om te schitteren zijn bijvoorbeeld trompettist Ray Kaart, Louis de Lussanet op drums en later trombonist Bert Boeren. Ook van belang is dat de banjo/gitaar positie in 1979 wordt ingewisseld tegen een pianist, Fred Pruim/Fred Murray alias McMurray.
Qua aandacht in de media verandert in de loop der jaren het nodige, de muziek voor de jeugd is van Rock and Roll langzaam overgegaan in pop. Het DSC staat niet meer in het middelpunt van de belangstelling, maar is wel een blijvende icoon in het totale muzikale landschap. TV optredens tijdens evenementen als het Eurovisie Songfestival zijn prestigieuze momenten. Ook de internatonale tournees worden steeds groter en hebben het orkest over de hele aardbol gebracht. De andere kant van de medaille is dat Nederland te klein is geworden om een traditioneel jazzorkest met deze professionele kwaliteiten fulltime op de been te houden.

Een wel heel bijzonder evenement vindt plaats in 1980 als het orkest 35 jaar bestaat. In een eenmalig concert worden bijna alle bezettingen vanaf 1945 nog eens verzameld, die een chronologisch overzicht geven van wat er zoal is gepresteerd in de loop der jaren. Uitgebreide TV aandacht en een live opgenomen dubbel LP met hoogtepunten zijn het resultaat. Het is opvallend dat juist in live situaties zo vaak goede opnames worden gemaakt, iets wat gedurende de gehele carrière van de band het geval is geweest. Zie ook de actuele TV/DVD opnamen van de Jazzwoche Burghausen uit 2007.
Vanaf 1980 neemt de aandacht in de Nederlandse media voor het DSC langzamerhand af, iets wat overigens voor de meeste vormen van muziek met akoestische instrumenten geldt, inmiddels zelfs al in de popmuziek. Playbackshows, meespeelbanden, karaoke, drumcomputers, synthesizers en dergelijke zijn klaarblijkelijk interessanter voor de gemiddelde Nederlander. Of zou het wellicht gewoon goedkoper en makkelijker zijn voor de producenten? Nu, zoveel jaren later duiken op bijvoorbeeld youtube steeds meer fragmenten op van buitenlandse TV zenders waaruit blijkt dat dit geen enkel verband heeft met de muzikale prestaties van de DSC band. Zo bestaat er een weergaloze ZDF Jazz Club TV opname uit 1988 met de titel Original Dixieland One Step. Het collectief staat als een huis en er volgen buitengewone solistische bijdragen door Bob Kaper en kornettist Sytze van Duin. Het trombonespel hier van Bert Boeren kan alleen maar worden omschreven als uitmuntend. Buitengewoon jammer dat zoiets nooit in ons eigen land op TV was. In het repertoire blijft ruimte voor allerlei creatieve bijdragen. Zo componeerde Henk Bosch van Drakestein ooit een solowerk met tal van unieke effecten voor zijn opvallende 5 snarige van Zalinge bas. Muziek die eerder verwantschap heeft met Miles Davis dan met dixieland. Een welkome afwisseling tijdens concerten. Vermeldenswaardig is verder het hechte teamwork van deze bassist met drummer/showman Huub Jansen.
In 1990 komt Peter Schilperoort te overlijden, bijna in het harnas. Aangezien een dergelijke persoonlijkheid niet te vervangen is, wordt in eerste instantie geen opvolger aangetrokken, een gerechtvaardigde keuze. Bob Kaper neemt het muzikale leiderschap over, bassist Adrie Braat na verloop van tijd het zakelijke deel. Eind jaren ’90 betuigt het orkest een eerbetoon aan Duke Ellington, een concertserie en CD met uitsluitend Ellingtonia, met toch weer één originele compositie in vergelijkbare stijl van de hand van Michael Varekamp. Na zovele jaren toch weer de wens vervuld van Frans Vink uit 1945!

Samenvattend kun je stellen dat de leden van het DSC in de loop der jaren heel wat creatieve experimenten hebben ondernomen. Swing, Blues, New Orleans, Dixieland, Ellingtonia, Latin, af en toe een vleugje moderne jazz, het is allemaal voorbij gekomen. Met de originele composities die voor het ensemble zijn geschreven kunnen tal van CD’s worden gevuld. Hoe mooi en muzikaal waardevol sommige stukken van met name Bob Kaper ook mogen zijn, de massa verlangt naar het verleden en de klassiekers. Het publiek is in wezen veel behoudender dan de musici zelf ooit geweest zijn. De term dixieland beschrijft maar ten dele wat er zoal is gepresteerd. De duiding uit het muziekschoolboekje: “slap aftreksel van de New Orleans muziek” is bij dit orkest echter totaal misplaatst! Geen enkele Nederlandse jazzartiest heeft, internationaal gezien, op de lange termijn dergelijk grote successen gevierd als het DSC, sterker nog, geen enkel klassiek orkest of popartiest uit ons land kan zo’n indrukwekkende internationale CV overhandigen. Iets om rustig trots op te zijn!
Aangezien het DSC ook bedrijfsmatig gezond moet blijven is in 2000 het Back To The Roots proces ingezet. Met de komst van de gebroeders Kaatee keert de traditie van de 4 blazers in de frontline uit de roemruchte jaren ’50 terug. Frits Kaatee is in 65 jaar pas de vijfde rietblazer die vast bij het orkest speelt en zijn broer George de vierde vaste trombonist die wezenlijke bijdragen levert. Bij de trompetten was meer verloop, maar de huidige speler, Bert de Kort heeft de meeste dienstjaren van allemaal. De ritmesectie speelt weer met piano en banjo. Het orkest is inmiddels bijna verplicht om zijn eigen traditie in stand te houden. Vergelijk de parallel met Ellington, die later in zijn carrière medleys van stukken uit de Cotton Club periode moest blijven spelen omdat de luisteraars dat nu eenmaal wilden horen. Toch vindt de DSC band op zijn meest recente CD weer ruimte voor een nieuw uitstapje, Nuages van Django Reinhardt, de invloedrijkste jazzvernieuwer van buiten de VS! Laten we zorgen dat er van de zijde van het publiek, dat zijn gewoon wij allemaal met elkaar, en vanuit organisatoren van concerten en muziekfestivals genoeg draagvlak is om dit stuk culturele historie een plaats op de agenda te blijven geven.
[ terug... ]Omhoog

Eigen domeinnaam




Maak vrienden


Copyright 2002-2017